Jerash is bekend om de ruïnes van de oud Romeinse stad Gerasa. Het is een van de best bewaarde steden in het nabije oosten. Het was al bewoond in het bronzen tijdperk (3200-1200 voor Chr.). In 63 voor Chr. werd Jerash geannexeerd door de Romeinse provincie syrië. De stad bloeide de stad op dankzij landbouw en winning van ijzererts, maar de vernietiging van Palmyra (in Syrië) en de opkomst van handel via de zee brachten langzaam verval. Een Perzische invasie in 614 en een aardbeving in 747 brachten de stad grotendeels tot verval. Omdat een groot gedeelte onder het zand bedolven werd, is de oude stad goed bewaard gebleven. Op dit moment is ca 30% opgegraven. Aangezien Jerash in een dal ligt nemen we geen jas mee. De zon laat ons echter halverwege in de steek, waardoor het toch fris wordt. Een bezoek aan de inmiddels vervallen stad is desondanks nog steeds de moeite waard. Het forum, de kathedraal en het nymphaeum zijn goed bewaard gebleven gebleven.
![]() | ![]() |
| Jerash: Nymphaeum | Een van de straten |
![]() | ![]() |
| Mozaiëk: Jerusalem | Afbeelding van de volledige mozaiëk |
Eén van de belangrijkste
archeologische vondsten hier is een mozaïek van de kaart van Jerusalem, en alle
belangrijke plaatsen uit de bijbel op de vloer van de Grieks Orthodoxe kerk.
Het bestaat uit 2 miljoen gekleurde steentjes, en is gemaakt in de 6e
eeuw. De kaart omvat het oude Palestina, inclusief het huidige Israël, Syrië,
Libanon en Jordanië. Het mozaïek is echt heel groot. Te groot om in zijn geheel
te fotograferen. Gelukkig hangen er buiten borden waarop het mozaïek wel in
zijn geheel te zien is. In de kerk hangen nog diverse andere mozaïeken met
bijbelse afbeeldingen.

Op weg naar de dode zee bezoeken we allereerst mount nebo, vanwaar Mozes het beloofde land zag. Vandaag is het echter een beetje heiig in de verte zodat het zicht slecht is. Op de tegenoverliggende berg ligt Israël, en kunnen we net Jeruzalem onderscheiden. Iets duidelijker is de Jordaanvallei en de dode zee.
![]() | ![]() |
| Zicht vanaf mount nebo | Jordaanvallei met aan overzijde Jerusalem |
Er staat gestileerd kruis
met slangmotieven, een soort replica van de staf van Mozes, die hij in een
slang liet veranderen, en waarmee hij water uit een rots sloeg. Het stroompje
water vloeit overigens nog steeds.
Om bij de dode zee te komen, moet de bus dalen van +810 meter naar -420 meter. Dat merken we aan onze oren. De dode zee is hier uitgesproken toeristisch, met een boulevard en winkeltjes. Er staat vandaag een behoorlijke wind, en er is zelfs een echte branding. Dat maakt het in zee gaan en proberen rustig te drijven er niet eenvoudiger op. De scherpe steentjes op de bodem trouwens ook niet. Eigenlijk moet je van die plastic schoenen of sandalen aan hebben. Het belangrijkste is te zorgen dat je geen water in je ogen krijgt. Het water is zo zout dat het brand in je ogen, net als in alle kleine wondjes die je hebt overigens. Het hoge zoutgehalte komt omdat er eeuwenlang wel water met mineralen de zee in kon stromen, maar door de lage ligging kont het er niet meer uit. Het water kon alleen verdampen, en alle zouten bleven achter in de zee.
Sommige mensen laten zich
insmeren met dode-zee modder. Als je dat laat opdrogen schijnt het heel
zuiverend te werken op je huid. Tegen de avond hebben we een prachtige
ondergaande zon, die je hier letterlijk achter de horizon kunt zien verdwijnen.
![]() | ![]() |
| Omgeving Kerak |
De plaats Karak is
bewoond sinds de ijzertijd. Het kasteel op 1000 m boven zeeniveau komt uit 1140
en is bekend onder de naam “Krak des moabites”. Soms wordt dit kasteel ten
onrechte verward met “Krak des
Chevaliers”, doch deze staat in Syrië. Het is
niet zo indrukwekkend als Krak des Chevaliers, maar nog altijd mooi om te
zien. Het ligt bovendien in een mooie, spectaculaire omgeving. Juist omdat het
minder groot is, is het ideaal om zelf in rond te wandelen en te ontdekken.
Zonder gids (menselijk danwel een papieren) ontgaat je wel de betekenis van
sommige gedeelten.


Kerak Kerak: Mamluk keep
Tegen het einde van de middag bezoeken we nog even “Little Petra”, een kleine uitvoering van de stad Petra die we morgen zullen bezoeken. Ook hier zijn de gebouwen in de rotsen uitgehouwen. Little Petra is al mooi, doch valt in het niets bij wat we morgen zullen zien, aldus onze gids. Het is hier in ieder geval wel lekker rustig.
Het Dana Natuurreservaat
is het grootste natuurreservaat van Jordanië, en tevens een indrukwekkend
ecotoerisme project. Het dankt zijn naam aan het 15e eeuwse plaatsje
Dana. De hoogte varieert van 50 m onder zeeniveau in het laagliggende
woestijngebied van Wara Araba tot pieken van 1500 m hoogte bij Quadesiyya. In het gebied komen ca 800 plantensoorten, 180 soorten
vogels en 45 soorten zoogdieren, waarvan er 25 met uitsterving worden bedreigd.
Er bevinden zich bijna 100 ruïnes in het gebied. Wij gaan met een locale ranger
een 3.5 uur durende wandeling in het gebied maken. Een aantal van ons -inclusief
ikzelf- had een wandeling in een groene omgeving verwacht. Dit mede omdat er
veel planten en vogels te zien zouden zijn. De wandeling loopt echter door
bergachtig gebied, over een smal paadje dat vaak bezaaid ligt met keien. Het
klimmen en dalen maakt het zwaarder dan verwacht. Toch is het voor iedereen te
doen, eventueel met een beetje hulp. De uitzichten onderweg zijn verbijsterend
mooi. Dit is absoluut niet op een foto vast te leggen, al doe ik natuurlijk wel
een poging.




Petra is zonder meer de mooiste plaats in Jordanië. Gebouwen die in zandsteen rotsen zijn uitgehakt, met prachtige tempels en tombes. De Nabateeërs hadden deze verborgen plaats als hun hoofdstad gekozen. Er zijn enkele vrijstaande gebouwen, maar het leeuwendeel is uitgehakt uit de rotswand. Het is niet precies bekend wanneer dit gebeurd is, vermoedelijk ergens in de 6e eeuw v. Chr. Toen begonnen de Nabateeërs tol te heffen aan karavanen die hier door hun gebied reisden. De vormen van de pilaren waren toen ook nog niet in een Romeinse stijl. Gedurende lange tijd werden Griekse, Egyptische en Syrische elementen gecombineerd. Vanaf 63 v Chr. Zijn er ook Romeinse elementen toegevoegd. In 363 en 551 hebben aardbevingen de stad grotendeels vernietigd en werd het verlaten. Petra was alleen bekend bij locale bedoeïen. De Zwitserse ontdekkingsreiziger Jean Louis Burckhardt herontdekte Petra in 1812 voor de westerse wereld. De stad was inmiddels tot een ruïne vervallen.
We bereiken Petra na een
wandeling door de 2 km lange siq, een natuurlijk gevormde kloof. Aan de ene
zijde is een open sleuf om water voor de dieren Petra binnen te brengen, aan de
andere zijde een gesloten systeem van buizen voor water voor de mensen. Aan het
eind van de kloof sta je opeens voor de “Treasury”, een van de mooiste
gebouwen. Het is geheel in de rotsen uitgehouwen. De kleur van de rotsen is
niet egaal, maar bevat allerlei kleurschakeringen van geel tot roze, inclusief
allerlei donkere gedeelten.
Het gros van de groep gaat naar de high place of
sacrifice, dat alleen te bereiken is via een trap van ruim 600 treden. Vanaf
daar heb je een mooi overzicht over heel Petra. Ik besluit eerst wat door Petra
te wandelen, want mijn spieren doen nog pijn van de wandeling van gisteren door
Dana.
Sommige gebouwen zijn heel mooi, anderen heel simpel. Petra beslaat een behoorlijk oppervlakte. Het is wel duidelijk dat dit een complete stad is geweest. De monastery schijnt heel mooi te zijn, maar daarvoor moet je 880 treden omhoog. Dat lokt me momenteel niet, dus ik laat me overhalen om op de rug van een ezel naar boven te gaan. De ezel heeft het vaker gelopen, want hij weet precies hoe hij lopen moet. Toch blijft het een beetje eng met een afgrond vlak naast je. Op driekwart begint de ezel het ook moeilijk te krijgen. Hij heeft eigenlijk geen zin meer, en ook zijn passen zijn niet meer zo zeker. Het lijkt me beter om het laatste deel zelf te lopen. Ik geef de jongen die is meegelopen een extra fooi (het afgesproken bedrag gaat naar zijn baas), en loop het laatste gedeelte zelf, zij het dan in etappes. We zitten wat hoger, en ik heb toch regelmatig adem te kort. Ik ben niet de enige want ik zie regelmatig anderen ook even rusten.
Eenmaal boven doemt de
monastery op. Het gebouw is nog mooier en groter dan de treasury. Binnenin hoor
ik een groep mensen zingen. Is dat Nederlands? Jawel hoor, er blijkt een grote
groep Nederlanders boven te zijn. Als je nog verder klimt, kun je Israël en
Wadi Araba zien liggen, maar daar heb ik even geen zin in. Ik ga liever eerst
even een colaatje drinken, en rustig zitten in een van de stoelen van een
drinkgelegenheid. Zo kan ik het monastery uitgebreid bewonderen, en ondertussen
met een poes spelen.
In de verte beginnen zich donkere wolken af te tekenen, en ik besluit toch maar weer op weg naar beneden te gaan, uiteraard pas nadat ik het monastery van dichtbij heb bewonderd. De ruimten van de monastery zijn heel simpel, zonder enige versiering. Halverwege de weg omlaag slaat het weer om. Het begint hard te waaien en er vallen soms een paar druppels regen. Dit zal aanhouden tot ik terug ben bij het hotel. De harde wind neemt zand mee, waardoor soms complete zandstormen ontstaan. Gelukkig duren die niet lang, maar ze zijn wel vervelend. Als ik bij het hotel ben zit ik dan ook onder het zand. Het was de bedoeling om ’s avonds naar Petra by night te gaan, maar met dit weer heb ik er geen zin in, als het al door gaat.
Voor de volgende dag staat een wandeling op die programma die vergelijkbaar is met die bij Dana. Hierbij benaderen we Petra vanaf de achterzijde. Ik bedank hiervoor en besluit te werken aan mijn achterstallig reisverslag. Aan het eind van de ochtend zijn de wandelaars terug, en vertrekken we naar Wadi Rum. We moeten onze bagage scheiden in een gedeelte dat we in de woestijn nodig hebben (slaapzak, toiletspullen, reservekleding) en de rest.
Wadi rum is een vallei in
het zandsteen en graniet in het zuidwesten van Jordanië. De Arabische uitspraak
is wadi ramm. De Britse officier T.E.
Lawrence gebruikte dit als basis tijdens de Arabische revolutie (1917-1918).
Ook de film “Lawrence of Arabia” is hier grotendeels op locatie geschoten.
Het gebied is in trek bij
bergbeklimmers, vanwege zijn indrukwekkende rotsformaties. Het gebied is ook
favoriet voor een korte safari per paard of kameel.
Er leven al sinds de
prehistorie mensen in de Wadi Rum. Tegenwoordig wordt het hoofdzakelijk bevolkt
door bedoeïen (stammen, vaak nomaden, bestaande uit personen met een sterke
onderlinge verwantschap, meestal geleid door een sjeik).
Op weg naar Wadi Rum moeten we door de bergen. In de berm ligt pasgevallen sneeuw. “Dat kan leuk worden” grappen we, want er is ons verteld dat het ’s nachts af kan koelen.
Vanaf het visitors center
lopen we in ongeveer anderhalf uur naar de eerste overnachtingplaats, prachtig
verscholen tussen de rotsen. We overnachten in een bedoeïen tent, of voor de
liefhebbers gewoon buiten. ’s Avonds hebben we een prachtige sterrenhemel,
vooral als je even wegloopt van het kampvuur, de duisternis in. Dan pas valt op
hoeveel van de sterrenhemel je mist door het strooilicht van de steden.
De volgende dag gaat een gedeelte met landcruisers kriskras door de woestijn om interessante plekken te bezoeken en rotstekeningen te bekijken. Het alternatief is het schip van de woestijn: de kameel. Ik kies voor het laatste. Heerlijk relaxed vanaf de rug van de kameel het bijzondere landschap bekijken. Zelden heb ik zulke bijzondere kleuren en grillige rotspartijen gezien. Een van de kamelen wil niet knielen om zijn berijder op te laten stappen. Hij verzet zich met heftig gebrul. De begeleiders trekken hem uit alle macht naar beneden, en gooien zand in zijn bek als hij probeert op te staan. De andere kamelen zijn zo mak als een lammetje. Onderweg proberen de kamelen al lopend van elk struikje dat er groeit iets te eten.
Bij de tweede overnachtingplaats komen we weer allemaal samen. Ook nu overnachten we in een bedoeïen tent, er zijn zelfs dekens voor wie het koud krijgt. Het eten ’s avonds is weer uitstekend verzorgd; soep, mezze en kip. De volgende ochtend kun je per kameel, dan wel lopend naar de plek voor de laatste lunch. Vanaf hier gaan we met ons busje naar Aqaba.
De kustplaats Aqaba is
een favoriete bestemming bij watersport liefhebbers. Het is tevens een
belastingvrije stad. Om de stad in en uit te komen moet je langs een soort
douane. Er is de mogelijkheid om te snorkelen. Normaal zouden we ook kunnen
duiken, maar dat mag niet omdat we morgen moeten vliegen. Het drukverschil is
dan te groot. Er is inderdaad een groepje dat gaat snorkelen. Ik besluit echter
om rustig een beetje in het stadje te gaan kijken. Het valt al snel op dat het
warmer en vochtiger is in Aqaba. Het museum is nog gesloten als ik kom, dus ga
ik eerst ergens een kopje mint-thee drinken, en kijken naar de drukte aan de
kustlijn. Later blijkt het museum toch open. Het museum is klein en toont
voorwerpen die men heeft gevonden bij opgravingen. Ik krijg steeds meer het
gevoel dat overal in de bodem resten van oude beschavingen terug te vinden
zijn. Variërend van resten van potten tot complete steden. De droge lucht, en het
zand zorgt ervoor dat alles uitstekend geconserveerd is gebleven.
Mijn kaartje is ook
geldig voor het kleine kasteeltje van Aqaba. Het is niet indrukwekkend, maar
wel bijzonder omdat men bezig is het kasteel zoveel mogelijk in de originele
staat te herstellen. De rest van de dag dwaal ik gewoon wat door de stad. Ik ga
wat eten, bezoek de souk, en breng een kort bezoek aan een Internetcafé. Tegen
het eind van de middag rijden we terug naar Amman, vanwaar we morgen zullen
vliegen.
Jordanië heeft nog één verrassing voor ons in petto: Een echte
zandstorm. Nadat het donker is geworden begint een harde wind op te steken. De
weg is echter gelegd in een woestijnachtig landschap. Gevolg is dat grote
hoeveelheden zand over de weg wordt geblazen. Op een gegeven moment is het zo
erg dat de auto’s stapvoets rijden met alle knipperlichten aan. De chauffeur
weet ons echter heelhuids naar Amman te brengen. Hier hebben we nog één
overnachting voor we terug vliegen naar Nederland.